Woorden tellen
Woorden, tekens en leestijd tellen.
Tekst
Lijdende vorm en ambtelijke zinnen opsporen.
Een detector die voor het Engels is gebouwd mist in het Nederlands precies de belangrijkste gevallen.
Het Nederlands kent de voltooid deelwoordconstructie met "worden" — "het verzoek wordt beoordeeld" — die een handeling beschrijft, en met "zijn" — "het verzoek is beoordeeld" — die het resultaat beschrijft.
Die tweede is meestal prima. "De deur is gesloten" is een gewone toestandsbeschrijving.
Lastiger is de eerste, want die laat de handelende partij verdwijnen. "Het verzoek wordt beoordeeld" zegt niet door wie, en vaak is dat precies de bedoeling.
Daar komt de typisch Nederlandse er-constructie bij: "er wordt gekeken naar", "er is besloten om", "er zal worden onderzocht of". Dit is het handelsmerk van ambtelijk Nederlands en het is grammaticaal onberispelijk en volstrekt ondoorzichtig.
En de vierde: de tangconstructie, waarbij het werkwoord aan het eind van een lange zin belandt en de lezer alles ertussen moet vasthouden voordat duidelijk wordt wat er gebeurt. "De aanvraag die u op 3 maart heeft ingediend en die door onze afdeling in behandeling is genomen, is beoordeeld." Pas na dertig woorden weet je waar het over gaat.
De bruikbare vraag is dus niet "staat er een lijdende vorm?" maar "weet de lezer wie er iets doet, en weet hij dat op tijd?".
Een detector die elke lijdende vorm afkeurt, is onbruikbaar.
Als de handelende partij onbekend is: "mijn fiets is gestolen". Je weet niet door wie.
Als die vanzelfsprekend of onbelangrijk is: "de aanvragen worden in maart behandeld". Dat de instantie dat doet, spreekt vanzelf.
Als je de nadruk bewust op het onderwerp wilt leggen in plaats van op wie handelt, wat in wetenschappelijke teksten een gevestigde conventie is.
Als de zin anders gekunsteld wordt.
En in regelgeving, waar onpersoonlijkheid soms bewust is omdat de norm voor iedereen geldt.
De vuistregel: als je weet wie er handelt en het noemen helpt de lezer, noem het dan. "Wij hebben je aanvraag beoordeeld" is bijna altijd beter dan "je aanvraag is beoordeeld", en in klantcontact maakt dat verschil meer uit dan welke beleefdheidsformule ook.
In Nederland is dit meer dan een stijlkwestie.
Er is een landelijke beweging om overheidscommunicatie begrijpelijker te maken, met een campagne en handreikingen voor ambtenaren die precies dit aanpakken: korte zinnen, actieve vorm, werkwoorden in plaats van naamwoorden, en "wij" en "u" in plaats van onpersoonlijke constructies.
De aanleiding is niet esthetisch maar praktisch: een aanzienlijk deel van de volwassenen in Nederland heeft moeite met lezen en schrijven op het niveau waarop overheidsbrieven zijn geschreven. Wie een besluit niet begrijpt, kan geen bezwaar maken, en dan is een bezwaartermijn een lege huls.
Dat maakt begrijpelijkheid een kwestie van toegang tot je rechten, niet van smaak.
Naast de lijdende vorm richten die richtlijnen zich op naamwoordstijl — "overgaan tot beoordeling van" in plaats van "beoordelen" — en op het stapelen van voorzetsels, iets waar het Nederlands zich makkelijk toe leent.
Ook de lange samenstellingen zijn een aandachtspunt: "vergunningverleningsprocedure" is één woord dat de lezer in stukjes moet hakken. Vaak kun je het gewoon uitschrijven.
De betrouwbaarste toets blijft hardop lezen. Waar je tong struikelt, struikelt je lezer ook.
De analyse gebeurt volledig in je browser.
De worden-vorm voor een handeling en de zijn-vorm voor een resultaat. Vooral de eerste verhult.
Het is grammaticaal correct en zegt niet wie er kijkt. Het is het handelsmerk van ambtelijke taal.
Het werkwoord belandt aan het eind van een lange zin, zodat de lezer alles moet vasthouden.
Als de handelende partij onbekend of vanzelfsprekend is, of als onpersoonlijkheid bewust is.
Wie een besluit niet begrijpt, kan geen bezwaar maken. Begrijpelijkheid raakt aan toegang tot je rechten.
Nee, de analyse is lokaal.